AVV Helpdesk

Hoofdstuk 6 – Loopbaanbeleid en scholing

Duurzame inzetbaarheid en vitaliteitsbeleid zijn belangrijk. Juist in een dynamische sector als de Kunsteducatie met veel flexibiliteit en meerdere kleine dienstverbanden of opdrachten. Loopbaanbeleid en scholing zijn hierin een belangrijk onderdeel. Sociale partners moedigen iedereen aan om hiermee aan de slag te gaan.

Artikel 6:1 – Algemeen

  1. De werkgever zal scholing van de werknemer stimuleren door met deze werknemer een scholingsinspanning overeen te komen. Deze scholingsinspanning maakt onderdeel uit van de jaarlijkse vaststelling van de taakbelasting.
  2. De werkgever stelt jaarlijks in overleg met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging een scholingsplan vast en bepaalt het daarvoor benodigde budget. Het scholingsplan is in lijn met een ondernemingsplan.
  3. Onder scholing wordt in het kader van deze CAO verstaan:
    • Een opleiding gericht op het uitbreiden en verbeteren van het vakmanschap.
    • Een opleiding gericht op het versterken van de employability van de betrokken werknemer.
    • Een opleiding op basis van de CAO Kunsteducatie.
  4. Kosten door de werkgever gemaakt vóór 1 juli 2019 ten behoeve van duurzame inzetbaarheid, mobiliteit en andere activiteiten gericht op versteviging van de positie op de arbeidsmarkt worden conform de Wet Werk en Zekerheid verrekend met de transitievergoeding. Voor werknemers met een dienstverband van minder dan tien jaar geldt dat er géén verrekening plaats zal vinden van eventuele opleidingskosten met de transitievergoeding.
    Dit laat onverlet dat ten aanzien van de verrekening met de transitievergoeding van deze kosten gemaakt na 1 juli 2019 tussen werkgever en werknemer (afwijkende) afspraken gemaakt kunnen worden.

Artikel 6:2 – Opleiding op verzoek van werknemer

  1. Een werknemer kan op eigen verzoek in aanmerking komen voor een vergoeding studiekosten, indien hiertoe tijdig voor aanvang van de opleiding schriftelijk een aanvraag wordt ingediend bij de werkgever. Indien de werknemer deze aanvraag ook aan een andere werkgever richt, heeft de werknemer de verplichting daarvan melding te maken.
  2. Indien de werkgever van mening is dat de studie mede in het belang van de organisatie of in het belang van de sector kunsteducatie is, bevestigt de werkgever tijdig voor aanvang van de opleiding schriftelijk aan de werknemer welke kosten de werknemer vergoed krijgt.
  3. Voor vergoeding komen in aanmerking:
  • Maximaal 100% van de kosten van het cursusgeld.
  • Maximaal 100% van de eenmalige inschrijf- en examenkosten.
  1. Niet in aanmerking voor vergoeding komen:
  • De benodigde tijd voor de opleiding.
  • Boeken en lesmateriaal.
  1. De werkgever vergoedt de toegezegde tegemoetkoming als volgt:
  • De helft van de tegemoetkoming wordt vooraf vergoed.
  • De helft van de tegemoetkoming wordt na het behalen van het diploma/getuigschrift vergoed.
  1. Studiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer deze reeds door een andere werkgever vergoed krijgt.

Artikel 6:3 – Opleiding op verzoek van werkgever

  1. De werkgever kan een werknemer een aanwijzing geven om een opleiding te volgen als dit naar de mening van de werkgever voor de uitvoering van diens taak nodig is.
  2. De werkgever neemt de kosten van de opleiding volledig voor zijn rekening.
  3. De benodigde tijd voor het volgen van de cursus alsmede de tijd voor examens maakt onderdeel uit van de jaartaakbelasting van de werknemer. Studie-uren worden gerekend tot de werkuren en in de mate waarin de studielast staat genoemd in het curriculum van de studie. 

Artikel 6:4 – Terugbetaling van studiekosten

  1. Indien de werknemer tijdens de opleiding of binnen één jaar na beëindiging van de opleiding het dienstverband opzegt, betaalt de werknemer de ontvangen vergoeding volledig terug.
  2. Indien de werknemer binnen twee jaar na beëindiging van de studie het dienstverband vrijwillig opzegt, betaalt de werknemer 50% van de ontvangen vergoeding terug.
  3. De werkgever is gerechtigd deze terugbetaling in te houden op de laatste loonbetaling.
  4. Dit artikel is niet van toepassing op scholing die wettelijk verplicht is conform artikel 7:611a BW voor de uitvoering van werk waarvoor de werknemer is aangenomen.

Artikel 6:5 – Toekomstgericht opleiden

  1. In het kader van toekomstgericht opleiden hebben medewerkers vanaf 1 juli 2015 het recht op een jaarlijks opleidingsbudget van 0,5 % van het feitelijk bruto jaarsalaris. Dit budget wordt maandelijks opgebouwd. Werknemers kunnen in overleg met werkgever een beroep doen op dit opleidingsbudget.
  2. Er geldt een jaarlijkse minimumopbouw van het scholingsbudget van € 250,-.
  3. Wanneer een medewerker gedurende het jaar in of uit dienst treedt geldt de regeling naar rato.
  4. Het in enig jaar opgebouwd budget vervalt vier jaar na afloop van het kalenderjaar waarin het budget is opgebouwd. Het vervallen individuele budget blijft binnen de organisatie gereserveerd voor scholing.
  5. Indien een beoogde opleiding duurder is dan het tot dusver opgespaard opleidingsbudget dan hebben werknemers het recht om, in overleg met werkgever aanspraak te doen gelden op het budget van de komende vier jaar.
  6. Bij einde van een dienstverband vervalt het resterende budget van de medewerker en wordt toekomstig gebruikt budget verrekend. Hierop gelden de volgende uitzonderingen:
    1. bij beëindiging op initiatief van de werkgever van een dienstverband voor bepaalde tijd zonder opvolgend dienstverband heeft de werknemer recht op uitbetaling van eventueel resterend tot dusver opgespaard opleidingsbudget;
    2. bij ontslag op initiatief van werkgever wordt in overleg bekeken hoe eventueel resterend opleidingsbudget nog zoveel mogelijk kan worden benut;
    3. bij ontslag op initiatief van werkgever wordt eventueel ingezet toekomstig scholingsbudget zoals bedoeld in lid 5 niet verrekend.
  7. Naast het opleidingsbudget kan de werkgever de werknemer een verdere aanvulling op de vergoeding van opleidingskosten verstrekken.
  8. Kosten voor opleidingsactiviteiten komen niet voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer deze reeds door een andere werkgever vergoed krijgt.