AVV Helpdesk

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 1:1- Begripsbepalingen

In deze CAO wordt verstaan onder:

  1. Arbeidsovereenkomst: een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek.
  2. Vacant.
  3. Compartiment: een verzameling arbeidscontracten waarvan de functieomschrijving en de werkzaamheden (nagenoeg) identiek zijn, op basis waarvan een afvloeiingsregeling wordt vormgegeven.
  4. Contractuele arbeidstijd: de omvang van het dienstverband zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst en uitgedrukt in een percentage van de omvang van een volledige betrekking.
  5. Cursusjaar: het administratieve school- of cursusjaar zoals dat door de organisatie gehanteerd wordt.
  6. Detachering: een schriftelijke overeenkomst waarbij twee (of meer) werkgevers en een werknemer afspreken om de desbetreffende werknemer in dienst van de ene werkgever zijn functie tijdelijk te doen uitoefenen bij de andere werkgever.
  7. Functieomschrijving: een omschrijving van alle taakdelen die de werknemer uitoefent, die relevant zijn voor de indeling van de functie, die overeenkomen met de feitelijk verrichte werkzaamheden en die in redelijkheid overeenkomen met het doel van de functie.
  8. Instelling/organisatie: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die voldoet aan het bepaalde in artikel 1:2 lid 1 van deze CAO.
  9. Jaarrooster: het rooster waarin de werkgever aan het begin van het cursusjaar vaststelt op welke momenten de werknemer welke taken en werkzaamheden van de jaartaakbelasting verricht.
  10. Jaartaakbelasting: het geheel van taken en werkzaamheden van een werknemer in een cursusjaar, verricht binnen de vastgestelde taakomvang, daarbij inbegrepen lesvoorbereidingstijd en scholing.
  11. Kernfunctie: een functie zoals die omschreven en opgenomen is in bijlage 3.
  12. Kunsteducatie: het verzorgen van lessen, cursussen en/of projecten op het terrein van de audiovisuele, beeldende, dansante, dramatische, literaire of muzikale vorming en/of het uitvoeren van steunfunctieactiviteiten op dit terrein.
  13. Lesgeven: het feitelijk uitvoeren van lessen en/of cursussen in een of meer disciplines van de kunsteducatie.
  14. Nietkernfunctie: een functie die gelet op de functieomschrijving van een werknemer voor de belangrijkste taken in zijn algemeenheid niet aansluit bij een van de in bijlage 3 omschreven kernfuncties.
  15. Onderwijsgevend personeel: naast de docent wordt hieronder verstaan: de consulent, de instrumentaal begeleider dans, de onderwijsassistent en de steunfunctieassistent.
  16. Overleg Arbeidsvoorwaarden Kunsteducatie (OAK): het overlegorgaan van de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de CAO Kunsteducatie. Dit overleg-orgaan bestaat uit vertegenwoordigers van partijen betrokken bij de CAO.
  17. Passende functie (de definitie van passende functie is gebaseerd op de Wet verbetering poortwachter ten tijde van het vaststellen van de CAO-tekst): een functie die in redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet op onder meer zijn arbeidsverleden, opleiding, persoonlijke eigenschappen, salarisniveau, gezondheidstoestand, en datgene waartoe de werknemer nog in staat is, met een woon-werk-reistijd van – in de regel – maximaal twee uur per dag. Naarmate de periode van arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag van de werknemer een ruimere opstelling worden verwacht, als re-integratie in de bedongen arbeid niet meer tot de mogelijkheden behoort. Na welke periode dat het geval is moet aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval worden beoordeeld.
  18. Periodiek: een verhoging van het salaris met 1 regelnummer binnen de salarisschaal.
  19. Regelnummer: een nummer dat voorkomt in de salaristabellen zoals opgenomen in bijlage 2.
  20. Relatiepartner:
  • Een geregistreerde partner in de zin van de Wet op de partnerregistratie (Staatsblad 1997, 324).
  • Een persoon, niet in de eerste of tweede graad familie, met wie de werknemer op hetzelfde adres woont en een gemeenschappelijke huishouding voert, blijkend uit een notariële akte of een door beide partners ondertekende verklaring, die is overlegd aan de werkgever.
  1. Salaris: het voor de werknemer conform een regelnummer van de op zijn functie toepasselijke salarisschaal geldende bruto maandbedrag.
  2. Vervallen
  3. Scholingsinspanning: de afspraken over scholing als bedoeld in artikel 6:1 lid 1, zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen in het functioneringsgesprek.
  4. Steunfunctie:
  • Het uitvoeren van activiteiten gericht op het ontwikkelen en vernieuwen van beleid en uitvoering alsmede op kwaliteitsverbetering van activiteiten op het terrein van de kunsteducatie; en/of
  • Het uitvoeren van activiteiten gericht op samenwerking of integratie van activiteiten op het terrein van de kunsteducatie met andere activiteiten op het terrein van zorg, educatie of recreatie (bijvoorbeeld met het basisonderwijs).
  1. Studie-uren: uren benodigd voor studie, anders dan uren voor het bijwonen van lessen of bijeenkomsten. Studie-uren worden aangemerkt als werkuren als de studie wordt gevolgd op verzoek van de werkgever en in de mate waarin de studielast staat genoemd in het curriculum van de studie.
  2. Uurloon: het bruto maandsalaris voor een volledige betrekking maal 12, maal 1,08 (vakantie-uitkering), gedeeld door 1872 (het aantal uren van de volledige betrekking). N.B. Ook bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bouwt de werknemer recht op vakantiedagen op. Indien de werknemer niet in de gelegenheid is deze op te nemen, dienen deze apart uitbetaald te worden tegen het uurloon.
  3. Vakbond(en): de bij deze CAO betrokken werknemersorganisaties
  4. Volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar 1872 uur bedraagt.
  5. Werkgever: een organisatie als bedoeld in artikel 1:2 lid 1 van deze CAO.
  6. Werknemer: degene, niet zijnde een directeur-bestuurder, die op grond van een arbeidsovereenkomst met een werkgever op grond van deze CAO werkzaam is bij een organisatie als bedoeld in artikel 1:2 lid 1 van deze CAO.
  7. Autonome daling: verminderde werkgelegenheid (leegstand) van een docent als gevolg van minder belangstelling van cursisten voor een activiteit van de betreffende docent.
  8. Waar in deze CAO gesproken wordt over de werknemer wordt iedereen bedoeld ongeacht

Artikel 1:2– Werkingssfeer en karakter van de CAO

  1. De CAO Kunsteducatie is van toepassing op de rechtspersoonlijkheid bezittende, direct of indirect gesubsidieerde privaatrechtelijke organisatie die activiteiten verricht op het terrein van kunsteducatie, waaronder begrepen dansscholen, jeugdtheater scholen en circusscholen.
  2. Onder direct gesubsidieerd wordt verstaan dat de organisatie gebruik maakt van subsidies die direct aan de organisatie worden verstrekt. Onder indirect gesubsidieerd wordt verstaan dat de organisatie diensten verleent aan een andere organisatie of een persoon die voor deze activiteiten subsidie ontvangt.
  3. Er kunnen ten gunste van de individuele werknemer van de CAO afwijkende afspraken worden gemaakt. Afspraken in de arbeidsovereenkomst welke voor de werknemer in negatieve zin afwijken van de CAO zijn nietig.
  4. Op verzoek van een werkgever kan OAK, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:5, ontheffing verlenen van een of meer bepalingen van deze CAO.
  5. De CAO Kunsteducatie wordt bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemeld.

Artikel 1:3 – Bijlagen

Bijlagen waarnaar in deze CAO wordt verwezen vormen één geheel met deze CAO.

Artikel 1:4 – Stichting Overleg Arbeidsvoorwaarden Kunsteducatie (OAK)

1.   Er is een Stichting Overleg Arbeidsvoorwaarden Kunsteducatie (hierna: OAK), statutair gevestigd te Utrecht.

2.   De Statuten en eventuele reglementen van het OAK maken deel uit van deze cao.

  1. Voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van OAK wordt verwezen naar hoofdstuk 12 van deze CAO.

Artikel 1:5 – Ontheffing van de CAO Kunsteducatie

1.  Het OAK is namens sociale partners bevoegd om een werkgever ontheffing te verlenen van (bepalingen van) de CAO Kunsteducatie, als vanwege zwaarwegende argumenten toepassing van (bepalingen van) de cao redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden gevergd en indien naar het oordeel van het OAK de arbeidsvoorwaarden voor de werknemers voldoende zijn gewaarborgd en de arbeidsvoorwaarden over het algemeen geen mindere aanspraken aan die werknemers verlenen dan voor hen zouden voortvloeien uit het toepassen van de CAO Kunsteducatie. Bijvoorbeeld als voor (een gedeelte van) de werknemers de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitvoeringsovereenkomst (CAR-UWO) van toepassing is.

  1. Een verzoek om ontheffing dient schriftelijk te worden ingediend bij het OAK. Het verzoek van werkgever is voorzien van de instemming van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging en bij het ontbreken daarvan van de desbetreffende werknemersorganisaties en bevat daarnaast in elk geval naam, adres en ondertekening van de verzoeker, nauwkeurige beschrijving van de bijzondere omstandigheden, het bereik van het ontheffingsverzoek en de onderliggende argumentatie. Op verzoek van het OAK verschaft de werkgever (aanvullende) gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van het verzoek door het OAK nodig zijn.
  2. Het OAK kan, als zij dat nodig acht, werkgever uitnodigen om het verzoek nader toe te lichten.
  3. In het geval de werkgever tevens onder de werkingssfeer van een andere CAO valt, overlegt het OAK met partijen bij die andere CAO voordat het OAK over het verzoek tot ontheffing besluit.
  4. Binnen 2 maanden na ontvangst van alle relevante stukken ontvangt de werkgever een schriftelijk en gemotiveerd besluit van het OAK.
  5. Ontheffing van de CAO Kunsteducatie geschiedt altijd voor de looptijd van de geldende cao Kunsteducatie. Indien een nieuwe cao van toepassing wordt dient de verzoeker opnieuw een ontheffingsverzoek in te dienen.

Artikel 1:6 – Gelijkstelling van relatiepartner

  1. De bepalingen van deze CAO die van toepassing zijn op de gehuwde werknemer zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer met een relatiepartner, tenzij dat wettelijk of uitdrukkelijk in bepaalde artikelen van deze CAO is uitgesloten of beperkt.
  2. Voorwaarde voor toepassing van dit artikel is dat de werkgever beschikt over een afschrift van de in artikel 1:1 sub t bedoelde partnerregistratie of de daar genoemde schriftelijke verklaring.

Artikel 1:7 – Verstrekking van de CAO

  1. Deze CAO is voor eenieder te raadplegen en te downloaden van de internetsites van sociale partners.
  2. De werkgever zorgt ervoor dat een exemplaar van deze CAO en van de daarna overeengekomen wijzigingen daarvan op een voor iedere werknemer toegankelijke plaats binnen de organisatie ter inzage liggen en verstrekt de werknemer op diens verzoek een print van de CAO-tekst.